Je ziet het niet meteen aan een jong dier. CAE en CL sluipen een koppel in en doen pas jaren later hun schade. Tegen de tijd dat de gewrichtsontsteking of de abcessen zichtbaar zijn, is het virus of de bacterie al lang door de rest van de koppel gegaan. Dat maakt vroegtijdig testen en een vrij-status zo waardevol, ook als je maar een handvol geiten houdt.
Redactie DokterVeld
Samengesteld op basis van RVO, NVWA en de EU-diergeneesmiddelenwet
Wat is CAE?
CAE staat voor caprine artritis encefalitis. Het is een virusziekte die uitsluitend bij geiten voorkomt. Het virus (een lentivirus, familie van de maedi-visna bij schapen) heeft geen genezing: eenmaal besmet, altijd besmet.
CAE verspreidt zich via meerdere routes. Besmetting via besmette biest en melk is een bekende route: een lam dat bij een geïnfecteerde geit drinkt, kan het virus oplopen in de eerste levensdagen. Minstens even belangrijk is de verspreiding via ingeademde lucht: aerosolen van besmette dieren kunnen het virus overdragen op stalgenoten, ook zonder directe melkcontact. Beide routes dragen substantieel bij aan de verspreiding binnen een koppel.
Klinische verschijnselen verschijnen vaak pas op hogere leeftijd: dikke, pijnlijke gewrichten (artritis), longproblemen, en bij jongere dieren soms neurologische uitval (encefalitis). Productie daalt, dieren vermageren, de levensduur verkort. Er is geen behandeling.
Wat is CL?
CL staat voor caseuze lymfadenitis, veroorzaakt door de bacterie Corynebacterium pseudotuberculosis. CL treft zowel geiten als schapen. Het kenmerk zijn abcessen in de lymfeklieren die kaasachtig etterig materiaal bevatten (vandaar de naam "caseus", Latijn voor kaas).
Een abces kan spontaan opengaan. Het vrijgekomen materiaal zit boordevol bacteriën en besmet de omgeving, het strooisel, andere dieren. Via wondjes in de huid of de slijmvliezen kan een gezond dier besmet raken. Oppervlakkige abcessen zijn zichtbaar; interne abcessen in longen of organen pas bij sectie.
CL is ook voor mensen niet geheel zonder risico: bij nauw contact met besmet materiaal (slachten, abcessen behandelen zonder bescherming) zijn humane infecties beschreven, al zijn die zeldzaam.
Waarom uitmaakt of je koppel vrij is
CAE en CL zijn niet meldingsplichtig bij de NVWA, maar dat maakt ze niet minder schadelijk. De redenen om een vrij-status na te streven:
- Kopers vragen ernaar. Wie een fokdier koopt, wil weten of het van een CAE-vrij en CL-vrij bedrijf komt. Zonder certificaat ben je minder waard op de markt.
- Melkkwaliteit en productie. Subklinisch besmette dieren produceren minder en minder goed. Op de lange termijn loopt je koppelgemiddelde terug.
- Bioveiligheid. Een bedrijf met vrij-status heeft bewezen aandacht te besteden aan het weren van ziekte. Dat trekt gezonde aanfok aan en reduceert dierenartskosten.
CAE-vrij certificering via GD
GD Diergezondheid biedt een CAE-vrij certificeringsprogramma aan. Er zijn twee routes:
- Aanschaf-route: na het leegmaken van de stal worden uitsluitend CAE-gecertificeerde dieren ingekocht. De locatie is direct gecertificeerd.
- Testroute: één negatieve bloedtest van alle dieren ouder dan zes maanden (via steekproef), terwijl het jaar daarvoor alleen gecertificeerde dieren zijn aangevoerd.
Na certificering hangt de testfrequentie af van de koppelgrootte:
- Koppels tot en met 40 dieren: herbeoordeling na 12 maanden, daarna elke 24 maanden.
- Koppels boven 40 dieren: jaarlijks testen.
Het programma werkt met een steekproefmodel dat met 95% zekerheid aantoont dat niet meer dan 2% van de dieren besmet is. Een goed uitgevoerde steekproef is dus cruciaal: een te kleine of niet-representatieve steekproef maakt de status juridisch kwetsbaar.
CL-vrij certificering via GD
GD biedt ook een CL-vrij certificeringsprogramma, gebaseerd op het GD-reglement. Voor de vrij-status volstaat een gunstige testuitslag afgenomen bij dieren ouder dan 12 maanden, waarbij met 95% zekerheid wordt aangetoond dat niet meer dan 0,5% van de dieren besmet is. Er is dus geen tweede test met tussenpose vereist: een goed uitgevoerde steekproef bij de juiste leeftijdscategorie is voldoende.
Bewakingstests na certificering volgen hetzelfde patroon als bij CAE:
- Koppels tot en met 40 dieren: elke 24 maanden.
- Koppels boven 40 dieren: elke 12 maanden.
Bij koppels boven 300 dieren doet GD eerst een bedrijfsbezoek om de aanwezigheid van CL te beoordelen en het juiste testprotocol te bepalen.
Bioveiligheid: zo behoud je je vrij-status
Een vrij-status verlies je zodra je niet-gecertificeerde dieren aanvoert of contact met besmette dieren niet kunt uitsluiten. Praktische regels:
- Koop alleen van gecertificeerde bedrijven. Vraag altijd naar het GD-certificaat bij aanschaf van een fokdier.
- Quarantaine bij nieuwe dieren. Houd nieuwkomers minimaal enkele weken apart voordat ze bij je koppel komen, ook als ze gecertificeerd zijn.
- Noteer abcessen als bijzonderheid. Zie je een zwelling of abces bij een dier, leg het dan vast in je dossier: datum, locatie op het lichaam, en als je toestemming hebt van je dierenarts, met een foto. Dat helpt bij de beoordeling en bij eventuele CL-monitoring.
- Geen gemeenschappelijk materiaal met niet-gecertificeerde koppels. Deuren, emmers, melkapparatuur, kleding: alles kan bacteriën of virus overdragen.
Hoe een sluitend dossier je vrij-status onderbouwt
Bij een hertest of bij verkoop van dieren moet je kunnen aantonen dat je koppel consequent gemonitord is. Wat je per dier bijhoudt:
- Datum en uitslag van elk bloedonderzoek (met laboratoriumreferentie).
- Herkomstgegevens: van welk UBN en welk gecertificeerd bedrijf het dier afkomstig is.
- Bijzonderheden zoals abcessen, klinische verschijnselen en dierenarts-bezoeken.
- Aanvoer- en afvoerdata per dier, gekoppeld aan je I&R-meldingen.
Meer over I&R-registratie en oormerkplicht lees je op de pagina over UBN en I&R. Voor andere gezondheidsverplichtingen, zoals Q-koortsvaccinatie, zie de Q-koorts-pagina.